Appellante, een bijstandsgerechtigde op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, heeft bezwaar gemaakt tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam waarin zij ontheffing van arbeidsverplichtingen werd verleend.
Het eerste besluit betrof een tijdelijke ontheffing van 22 april 2020 tot 22 juli 2020, in afwachting van een medisch onderzoek door Calder Werkt. Het tweede besluit verleende vanaf 3 september 2020 ontheffing voor 28 uur per week tot aan haar pensionering, gebaseerd op het advies van Calder Werkt. Appellante voerde aan dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en daarom volledig ontheffing zou moeten krijgen, en dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door haar niet medisch te laten keuren volgens de Wet WIA.
De rechtbank Rotterdam verklaarde de beroepen ongegrond, waarbij werd overwogen dat het college redelijk heeft gehandeld gezien de coronacrisis en dat het advies van Calder Werkt voldoende grond bood voor de ontheffing. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraken en overweegt dat het late overleggen van omvangrijke medische stukken niet in strijd is met de goede procesorde, maar dat deze stukken buiten beschouwing blijven omdat ze grotendeels eerder hadden kunnen worden overgelegd.
De Raad stelt vast dat appellante geen voldoende bewijs heeft geleverd voor volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid en dat het college op redelijke gronden heeft besloten tot gedeeltelijke ontheffing. Ook het ontbreken van een psychologisch of psychiatrisch onderzoek wordt niet als onzorgvuldig beoordeeld. De hoger beroepen worden ongegrond verklaard en een proceskostenvergoeding wordt afgewezen.