ECLI:NL:CRVB:2022:2225
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering na beoordeling medische en arbeidskundige beperkingen
Appellante was ziekgemeld met psychische klachten en ontving een Ziektewet-uitkering. Na een eerstejaars beoordeling stelde een verzekeringsarts beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en een arbeidsdeskundige selecteerde passende functies waarop appellante nog 93,36% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Het UWV beëindigde daarop de uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het medisch oordeel zorgvuldig was gemotiveerd en er geen aanwijzingen waren dat de beperkingen waren onderschat. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij geen benutbare mogelijkheden had en overhandigde een rapport van een bedrijfsarts, maar de Raad volgde dit niet vanwege de datum van het rapport en het ontbreken van ernstige psychiatrische stoornissen.
De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische situatie adequaat had beoordeeld, rekening houdend met psychosociale problematiek, en dat de geselecteerde functies passend waren. Er was geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewet-uitkering van appellante.