ECLI:NL:CRVB:2022:2191

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 oktober 2022
Publicatiedatum
13 oktober 2022
Zaaknummer
21-2772 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning ouderdomspensioen en verzekeringsstatus onder de AOW

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 13 oktober 2022 uitspraak gedaan in hoger beroep over de toekenning van een ouderdomspensioen aan appellant, die in het Verenigd Koninkrijk woont. Appellant had op 20 maart 2020 een aanvraag voor een ouderdomspensioen ingediend, maar de Sociale verzekeringsbank (Svb) kende hem slechts een uitkeringspercentage van 12% toe, met een ingangsdatum van 1 maart 2019. De Svb oordeelde dat appellant niet verzekerd was voor de AOW in de relevante periodes, omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij in Nederland had gewerkt. Appellant stelde dat hij recht had op een ouderdomspensioen met terugwerkende kracht tot zijn pensioengerechtigde leeftijd, maar de Raad oordeelde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die dit rechtvaardigden. De rechtbank had eerder het beroep van appellant tegen het besluit van de Svb ongegrond verklaard, en de Centrale Raad bevestigde deze uitspraak. De Raad concludeerde dat de Svb terecht de socialezekerheidswetgeving van het Verenigd Koninkrijk op appellant van toepassing had geacht, op basis van de Verordening (EEG) nr. 1408/71. De Raad oordeelde dat appellant niet had aangetoond dat hij in de betwiste periodes in Nederland had gewerkt, en bevestigde de beslissing van de Svb.

Uitspraak

21.2772 AOW

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
21 juli 2021, 20/4973 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (Duitsland) (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 13 oktober 2022
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2022. Appellant is via beeldbellen verschenen, bijgestaan door een tolk. De Svb heeft zich via beeldbellen laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.
Het onderzoek is na de zitting heropend.
De Svb heeft vragen van de Raad beantwoord.
Appellant heeft een reactie ingediend.
Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is op [geboortedatum] 1952 in Nigeria geboren. Hij heeft onder meer in het Verenigd Koninkrijk en in Nederland gewoond en gewerkt. Appellant heeft op 28 november 2017 de pensioengerechtigde leeftijd op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) bereikt. Hij heeft op 20 maart 2020 een aanvraag voor een ouderdomspensioen ingediend bij The Pension Service in het Verenigd Koninkrijk, het daar bevoegde orgaan. Hierbij heeft appellant vermeld dat hij tussen 1995 en 2006 in Nederland heeft gewoond en gewerkt. De aanvraag is doorgezonden naar de Svb en appellant is daarvan in kennis gesteld. Aan appellant is een ouderdomspensioen uit het Verenigd Koninkrijk toegekend.
1.2.
De Svb heeft in een besluit van 29 juni 2020 aan appellant een ouderdomspensioen op grond van de AOW toegekend, berekend naar een uitkeringspercentage van 12%. Appellant is niet verzekerd geacht van 28 november 1967 tot en met 24 mei 1997 en van 3 mei 2003 tot en met 27 november 2017. De ingangsdatum van het ouderdomspensioen is bepaald op 1 maart 2019 omdat een ouderdomspensioen niet eerder kan ingaan dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag is ingediend.
1.3.
Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 juni 2020 heeft de Svb ongegrond verklaard in een besluit van 2 september 2020 (bestreden besluit). Volgens de Svb is geen sprake van een bijzonder geval op grond waarvan, vanaf de datum van aanvraag, met meer dan een jaar terugwerkende kracht een ouderdomspensioen toegekend zou kunnen worden. Verder gaat de Svb ervan uit dat appellant tot en met 24 mei 1997 en vanaf 3 mei 2003 in het Verenig Koninkrijk heeft gewerkt en niet in Nederland heeft gewoond en gewerkt, waardoor hij niet verzekerd was voor de AOW.
2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank vindt dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat het ouderdomspensioen met een langere terugwerkende kracht dan één jaar wordt toegekend. Ook de niet verzekerde periodes zijn op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) met juistheid vastgesteld, nu geen bewijs van werken in Nederland aanwezig is.
3. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat de ingangsdatum van zijn ouderdomspensioen moet worden vastgesteld op zijn pensioengerechtigde leeftijd. Hij was vanwege zijn medische toestand buiten staat tijdig een aanvraag in te dienen. Verder heeft appellant gesteld dat de Svb hem ten onrechte niet verzekerd heeft geacht over de periodes van 1 augustus 1995 tot en met 24 mei 1997 en van 3 mei 2003 tot en met 30 april 2006. Appellant is na de geboorte van een dochter op 24 juli 1995 in Nederland komen wonen en ontving over februari 1996 tot en met december 2000 een werkloosheidsuitkering. Daarna heeft hij tot aan zijn vertrek uit Nederland in april 2006 met tussenpozen in loondienst gewerkt.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingangsdatum
4.1.1.
In geschil is eerst of appellant met een verdergaande terugwerkende kracht dan met ingang van 1 maart 2019 recht heeft op een ouderdomspensioen op grond van de AOW.
4.1.2.
Vaststaat dat appellant niet eerder dan op 20 maart 2020 een ouderdomspensioen heeft aangevraagd bij het in het Verenigd Koninkrijk bevoegde orgaan. Uit Verordening (EG) nr. 987/2009 volgt de hoofdregel dat de datum van indiening van de aanvraag in een andere lidstaat als datum van indiening van de aanvraag voor alle betrokken organen geldt. De Svb heeft het ouderdomspensioen een jaar voorafgaande aan 20 maart 2020 in laten gaan.
4.1.3.
Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AOW, zoals dat luidde ten tijde in geding, kan een ouderdomspensioen niet vroeger ingaan dan een jaar vóór de dag waarop de aanvraag werd ingediend. De Svb kan in bijzondere gevallen een langere termijn hanteren.
4.1.4.
Volgens de in de rechtspraak aanvaarde uitleg van de Svb is onder meer sprake van een bijzonder geval:
- indien de belanghebbende door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen;
- indien de belanghebbende onbekend was met zijn mogelijke recht op uitkering en deze onbekendheid verschoonbaar was.
Wanneer is vastgesteld dat sprake is van een bijzonder geval, maakt de Svb pas gebruik van de bevoegdheid de uitkering met een terugwerkende kracht van meer dan één jaar toe te kennen wanneer en voor zover sprake is van hardheid.
4.1.5.
Appellant heeft als reden voor zijn te late aanvraag aangevoerd dat hij in het ziekenhuis heeft gelegen en medische behandelingen in het buitenland heeft ondergaan. Als onderbouwing van zijn standpunt heeft hij verwezen naar de in beroep ingebrachte verklaring van een arts van het [naam centrum] in het Verenigd Koninkrijk van 1 november 2018.
4.1.6.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een bijzonder geval. Uit de hiervoor genoemde medische verklaring blijkt dat appellant in 2006 was opgenomen en gediagnostiseerd vanwege een waanstoornis, maar daarmee is niet aannemelijk geworden dat hij buiten staat is geweest in 2017, 2018 of 2019 een aanvraag in te dienen. Wat appellant verder op dit punt heeft aangevoerd is een herhaling van zijn beroep. Verwezen wordt naar overweging 8 van de aangevallen uitspraak, waarin de rechtbank is ingegaan op de stellingen van appellant. De Raad is het eens met de overweging van de rechtbank en neemt deze overweging over. Nu geen sprake is van een bijzonder geval, wordt niet aan toetsing van mogelijke hardheid toegekomen.
Verzekerde periodes
4.2.1.
Verder is in geschil of appellant van 1 augustus 1995 tot en met 24 mei 1997 (periode 1) en van 3 mei 2003 tot en met 30 april 2006 (periode 2) verzekerd is geweest.
4.2.2.
In de periodes in geding was Vo 1408/71 van toepassing. In artikel 13, eerste lid, van Vo 1408/71 is bepaald dat degene op wie deze Verordening van toepassing is, slechts aan de socialezekerheidswetgeving van één enkele lidstaat onderworpen is. Welke wetgeving dat is, wordt onder meer bepaald op grond van artikel 13, tweede lid, van Vo 1408/71. Op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, van Vo 1408/71 is op de werknemer die op het grondgebied van een lidstaat werkzaam is, de wetgeving van die lidstaat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont.
4.2.3.
Volgens het door het Verenigd Koninkrijk verstrekte formulier E205 is appellant over periode 1 en 2 verzekerd geacht voor de socialezekerheidswetgeving van het Verenigd Koninkrijk op grond van werken.
4.2.4.
In periode 1 is appellant ook na komst naar Nederland en in de periode van ontvangst van een Nederlandse werkloosheidsuitkering vanaf 1996, in het Verenigd Koninkrijk verzekerd geacht. Op zitting heeft appellant over deze periode gesteld dat hij na zijn vertrek in 1995 niet meer in het Verenigd Koninkrijk heeft gewerkt. Hij heeft in Nederland een werkloosheidsuitkering ontvangen op basis van werkzaamheden die hij voor zijn komst naar Nederland in het Verenigd Koninkrijk had verricht.
4.2.5.
De Svb heeft op verzoek van de Raad bij het verbindingsorgaan van het Verenigd Koninkrijk navraag gedaan over periode 1. Dat orgaan heeft verklaard dat appellant voldoende werknemersbijdragen heeft betaald om hem de volledige 52 weken verzekerd te achten tussen 6 april 1995 en 5 april 1997. Voor de periode vanaf 6 april 1997 is appellant voor zeven aansluitende weken verzekerd geacht op grond van betaalde werknemersbijdragen. De Raad concludeert hieruit dat de vermelding van appellant over periode 1 op het formulier E205 als werknemer verzekerd in het Verenigd Koninkrijk juist is.
4.2.6.
Over periode 2 heeft appellant niets aangevoerd dat aanleiding geeft om te twijfelen aan de juistheid van de weergave op het formulier E205 dat appellant over die periode als werknemer in het Verenigd Koninkrijk verzekerd is geweest.
4.2.7.
Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in periode 1 en 2 ook in Nederland werkzaamheden heeft verricht. De Svb heeft daarom op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, van Vo 1408/71 terecht de socialezekerheidswetgeving van het Verenigd Koninkrijk op hem van toepassing geacht. Appellant was in periode 1 en 2 dus niet verzekerd voor de AOW.
4.2.8.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A. van Gijzen als voorzitter en M. Wolfrat en T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2022.
(getekend) A. van Gijzen
(getekend) B.H.B. Verheul
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.