Uitspraak
21.1359 PW
10 maart 2021, 20/1737 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van eerste huur en borg na verhuizing naar een andere woonplaats. Het college wees deze aanvraag af omdat de verhuizing niet noodzakelijk was en de kosten niet voortvloeiden uit bijzondere omstandigheden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat de verhuizing noodzakelijk was vanwege de persoonlijke situatie van haar zoon, waaronder autisme en reisziekte, en dat de verhuizing rust bracht in het gezin.
De Raad oordeelde dat appellante niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de verhuizing noodzakelijk was, omdat zij geen medische of urgentieverklaring overlegde. Het feit dat de verhuizing rust bracht, is onvoldoende om de kosten als noodzakelijk aan te merken in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet. De vraag of de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden werd daarom niet verder behandeld.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De beslissing werd uitgesproken door rechter E.J.M. Heijs op 11 oktober 2022.
Uitkomst: De bijzondere bijstand voor eerste huur en borg wordt afgewezen omdat de verhuizing niet noodzakelijk is aangetoond.