Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:2157

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 oktober 2022
Publicatiedatum
7 oktober 2022
Zaaknummer
21/4057 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 AwbArt. 8:54 AwbArt. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening uitspraak AOW vanwege ontbreken nieuwe feiten

Verzoekster heeft bij de Centrale Raad van Beroep een verzoek tot herziening ingediend van de uitspraak van 12 mei 2021, waarin haar bezwaar tegen een brief van de Sociale verzekeringsbank (Svb) was behandeld. Zij voerde aan dat artikel 8:54 Awb Pro niet was toegepast en wees op haar rol als bewindvoerder van haar moeder.

De Raad beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 8:119 Awb Pro, dat herziening mogelijk maakt indien nieuwe feiten of omstandigheden aan het licht komen die voorheen niet bekend waren en die tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden. Verzoekster heeft echter geen nieuwe feiten of omstandigheden genoemd die aan deze criteria voldoen.

De Raad concludeert dat het verzoek feitelijk een hernieuwde discussie over de eerdere uitspraak betreft, waarvoor het herzieningsmiddel niet is bedoeld. Daarom wordt het verzoek afgewezen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de eerdere uitspraak wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

21.4057 AOW

Datum uitspraak: 7 oktober 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 12 mei 2021, 19/2648 AOW
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Op 31 augustus 2021 heeft de Raad van verzoekster een brief ontvangen waarin zij schrijft in verzet te willen gaan tegen de uitspraak van de Raad van 12 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1939. De Raad vat haar brief op als een verzoek om herziening nu appellante aangeeft het niet eens te zijn met de uitspraak van de Raad van 12 mei 2021, doch artikel 8:54 van Pro de Awb niet is toegepast in die uitspraak.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Verzoekster heeft nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2022. Verzoekster is niet verschenen. De Svb heeft zich via beeldbellen laten vertegenwoordigen door mr. P. Stahl-de Bruin.

OVERWEGINGEN

1.1.
Op 28 februari 2018 en 7 maart 2018 heeft verzoekster een brief afgegeven bij de Svb. In reactie hierop heeft de Svb verzoekster op 21 maart 2018 een brief gestuurd. Daarin is onder meer opgenomen dat, voor zover verzoekster refereert aan het dossier van haar moeder, dit dossier in 2006 is vernietigd omdat haar moeder in 2001 is overleden. Over het ouderdomspensioen van haar moeder zullen geen beslissingen meer genomen worden. Bij beslissing op bezwaar van 8 augustus 2018 heeft de Svb het bezwaar van verzoekster tegen deze brief niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.
1.2.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 25 april 2019, 18/6628, het beroep tegen het besluit van 8 augustus 2018 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard maar op een onjuiste grond. De brief van de Svb van 21 maart 2018 kan niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat hiertegen geen bezwaar gemaakt kon worden.
1.3.
Bij uitspraak van 12 mei 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:1939), waarvan herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
2. Verzoekster heeft de Raad in haar verzoek om herziening opnieuw er op gewezen dat zij de bewindvoerder van haar moeder is geweest.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak
zouden hebben kunnen leiden.
3.2.
Verzoekster heeft bij het verzoek om herziening geen feiten of omstandigheden genoemd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Verzoekster beoogt in feite om anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheden als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren over de uitspraak van de Raad van 12 mei 2021. Het is vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1218) dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening daarvoor niet is bedoeld.
3.3.
Uit 3.1 en 3.2 volgt dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2022.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) R. van Doorn