ECLI:NL:CRVB:2022:2126
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewet-uitkering wegens arbeidsgeschiktheid
Appellante was werkzaam als orderpicker en ontving een Ziektewet-uitkering na ziekmelding met lichamelijke klachten. Het UWV beëindigde de uitkering per 13 september 2018 op basis van een oordeel van de bedrijfsarts dat zij geschikt was voor haar werk. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en onderschreef de medische beoordeling.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de bedrijfsarts vooringenomen was, haar klachten werden onderschat en dat zij niet geschikt was voor haar werk. Zij stelde ook dat haar bezwaarschrift niet in behandeling was genomen en dat er sprake was van een postnatale depressie.
De Raad oordeelde dat het bezwaarschrift van 26 juli 2018 niet gericht was tegen het primaire besluit en dat de bejegening door de bedrijfsarts geen onjuiste feitenweergave of beoordeling veroorzaakte. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had een volledige heroverweging gedaan en sloot aan bij het oordeel van de bedrijfsarts. De medische gegevens toonden geen objectivering van lichamelijke klachten en bevestigden dat appellante geschikt was voor het lichte werk van orderpicker.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een deskundigenbericht of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewet-uitkering wegens arbeidsgeschiktheid.