ECLI:NL:CRVB:2022:2124
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij WIA-uitkering
Appellant was werkzaam als operator en meldde zich ziek wegens psychische klachten. Na een aanvraag voor een WIA-uitkering stelde een verzekeringsarts beperkingen vast en een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant niet geschikt was voor zijn laatste werk, met een arbeidsongeschiktheid van 42,18%. Het UWV kende een loongerelateerde WGA-uitkering toe per 31 januari 2018.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, waarop het UWV het bezwaar gegrond verklaarde en de arbeidsongeschiktheid bijgesteld werd naar 44,13%, zonder wijziging van de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, omdat het onderzoek zorgvuldig was verricht.
In hoger beroep keerde appellant zich tegen deze uitspraak, maar het UWV nam op 13 april 2022 een gewijzigde beslissing op bezwaar waarbij appellant volledig en duurzaam arbeidsongeschikt werd verklaard en een IVA-uitkering werd toegekend. Hierdoor was het hoger beroep feitelijk overbodig geworden, waardoor de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens het ontbreken van procesbelang.
De Raad bepaalde tevens dat het UWV het betaalde griffierecht aan appellant moest vergoeden, omdat appellant geen proceskosten had gemaakt die voor vergoeding in aanmerking kwamen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang nadat het UWV het bezwaar geheel heeft gehonoreerd.