ECLI:NL:CRVB:2022:207
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging recht op loongerelateerde WIA-uitkering na zorgvuldige beoordeling medische beperkingen
Appellant was productiemedewerker en meldde zich ziek met gezondheidsklachten. Het UWV stelde op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en een arbeidsdeskundig onderzoek vast dat appellant 38,75% arbeidsongeschikt was en kende hem een loongerelateerde WIA-uitkering toe. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit, stellende dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn fysieke en psychische beperkingen, waaronder een nekhernia, TIA, medicijngebruik en vermoeidheid.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en volledig was uitgevoerd en dat de belastbaarheid juist was vastgesteld. In hoger beroep voerde appellant aan dat de rapporten willekeurig waren opgesteld en dat de beperkingen onvoldoende waren meegenomen, maar de Centrale Raad van Beroep volgde dit niet.
De Raad stelde vast dat de verzekeringsartsen zorgvuldig en inzichtelijk de medische informatie hadden besproken en dat de beperkingen in de FML adequaat waren vastgesteld. Ook was er geen aanleiding om de geschiktheid van de geselecteerde functies te betwijfelen. De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Er werd geen aanleiding gezien voor een verdere urenbeperking of een andere inschatting van de belastbaarheid. De proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toekenning van een loongerelateerde WIA-uitkering van 38,75% wordt bevestigd.