Appellante had zich gemeld voor bijstand en een aanvraag ingediend met als hoofdverblijf een adres te Veenendaal waar ook familieleden stonden ingeschreven. Het college van burgemeester en wethouders stelde na onderzoek, waaronder huisbezoeken, verklaringen van buurtbewoners en analyse van bankafschriften en reisgegevens, dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij haar hoofdverblijf op dat adres had.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de afwijzing ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij wel degelijk op het opgegeven adres woonde en dat het college vooringenomen was. De Raad oordeelde dat de onderzoeksbevindingen een voldoende feitelijke grondslag boden voor het standpunt van het college en dat er geen aanwijzingen waren voor vooringenomenheid.
De verklaringen van buurtbewoners, de bevindingen van het huisbezoek en de analyse van pintransacties en reisbewegingen ondersteunden het oordeel dat appellante haar hoofdverblijf niet op het opgegeven adres had. Verklaringen van familie en bekenden en een huisbezoek na de te beoordelen periode konden dit oordeel niet wijzigen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.