Appellant vroeg op 15 augustus 2019 bijstand aan op grond van de Participatiewet. Het dagelijks bestuur wees de aanvraag op 22 oktober 2019 af vanwege een vermogen van € 22.304,24, hoger dan de vermogensgrens van € 6.120,-. Dit vermogen bestond uit banksaldi en drie motorvoertuigen op naam van appellant.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep. De Raad oordeelde dat appellant vanaf 16 augustus 2019 niet meer beschikte over een banksaldo van circa € 15.000,- omdat dit bedrag was overgeboekt naar zijn vader. Ook stond het kentekenbewijs van de Suzuki vanaf die datum niet meer op zijn naam, waardoor deze niet meer tot zijn vermogen behoorde.
Hierdoor stond het vermogen vanaf 16 augustus 2019 niet in de weg aan de verlening van bijstand. De Raad vernietigde het bestreden besluit voor dit deel en bepaalde dat het dagelijks bestuur aan appellant bijstand moet verlenen vanaf 16 augustus 2019 tot 2 december 2019. Tevens werd het dagelijks bestuur veroordeeld in de kosten van appellant.