ECLI:NL:CRVB:2022:2007
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na eerstejaarsbeoordeling bevestigd door Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als medewerker klantenservice en meldde zich ziek met depressieklachten. Het UWV kende haar een Ziektewetuitkering toe, maar beëindigde deze na een eerstejaarsbeoordeling omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen zou kunnen verdienen. De arbeidsdeskundige en verzekeringsarts stelden beperkingen vast, maar concludeerden dat appellante geschikt was voor bepaalde functies binnen het bereik van haar mogelijkheden.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante tegen de beëindiging ongegrond, waarbij zij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en de arbeidskundige rapporten als zorgvuldig en goed gemotiveerd beoordeelde. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn vanwege de prikkelrijke werkomgeving, maar kon dit niet onderbouwen met nieuwe medische informatie.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en concludeerde dat het UWV voldoende had aangetoond dat de beëindiging van de uitkering op een juiste medische en arbeidskundige grondslag berust. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag.