ECLI:NL:CRVB:2022:1993
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens laattijdige aanvraag en onvoldoende bewijs arbeidsongeschiktheid
Appellant, die tot mei 2001 als magazijnmedewerker werkte, vroeg in 2008 een WIA-uitkering aan die toen werd geweigerd vanwege onvoldoende arbeidsongeschiktheid. In 2020 diende hij opnieuw een aanvraag in, met als eerste arbeidsongeschiktheidsdag 29 augustus 2019, gebaseerd op Duitse medische rapporten. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant geen verdiencapaciteit had verloren in de relevante periode.
Appellant stelde dat hij al sinds 1998 ziek was en sinds 1999-2001 langdurig arbeidsongeschikt was, maar kon dit niet met objectiveerbare medische stukken onderbouwen. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de aanvraag laattijdig was, waardoor het risico van onduidelijkheid bij appellant lag.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad vond dat appellant onvoldoende bewijs leverde voor arbeidsongeschiktheid in de periode 1999-2001 en dat het UWV terecht 29 augustus 2019 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag had vastgesteld. De weigering van de WIA-uitkering blijft daarmee gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende bewijs van arbeidsongeschiktheid in 1999-2001 en laattijdige aanvraag.