ECLI:NL:CRVB:2022:1940
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van UWV-besluit over 44,09% arbeidsongeschiktheid volgens Wet WIA
Appellant was laatstelijk werkzaam als tuinbouwmedewerker en meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant met ingang van 7 november 2019 voor 44,09% arbeidsongeschikt is en kende een loongerelateerde WGA-uitkering toe.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde aan dat zijn beperkingen en medicatie-effecten onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het onderzoek zorgvuldig was en de functies passend waren. In hoger beroep herhaalde appellant deze gronden, maar leverde geen concrete onderbouwing over medicatie bijwerkingen.
De Raad oordeelt dat het UWV zorgvuldig heeft gehandeld en dat de medische en arbeidskundige conclusies juist zijn. De stelling over medicatie is onvoldoende concreet en niet onderbouwd. Er zijn geen nieuwe medische stukken die aanleiding geven tot twijfel. Daarom wordt het hoger beroep verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd dat appellant 44,09% arbeidsongeschikt is.