ECLI:NL:CRVB:2022:193
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van vaststelling arbeidsongeschiktheid op 44,36% per 11 september 2019
Appellante was sinds 2007 werkzaam als doktersassistente en meldde zich in november 2015 ziek vanwege intracraniële hypertensie. Haar arbeidsongeschiktheid werd aanvankelijk vastgesteld tussen 80 en 100%. In juni 2019 besloot het UWV deze uitkering per 11 september 2019 om te zetten naar een WGA-loonaanvullingsuitkering met een arbeidsongeschiktheid van 44,36%.
Na bezwaar en beroep bevestigden medische en arbeidsdeskundige onderzoeken deze mate van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank oordeelde dat het UWV zorgvuldig te werk was gegaan en de beperkingen van appellante adequaat waren vastgesteld, mede op basis van psychiatrisch onderzoek dat onderpresteren en overrapporteren vaststelde zonder ernstige cognitieve afwijkingen.
Appellante voerde in hoger beroep herhaaldelijk aan dat haar medicatie bijwerkingen gaf en dat er sprake was van cognitieve beperkingen, ondersteund door nieuw medisch materiaal. De Raad volgde dit niet, omdat deze informatie geen nieuwe feiten bevatte en onvoldoende was gemotiveerd. De Raad bevestigde de eerdere beoordeling en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van 44,36% arbeidsongeschiktheid per 11 september 2019 wordt bevestigd.