ECLI:NL:CRVB:2022:1920
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds 2011 ziekgemeld en ontving vanaf 2013 een WGA-uitkering wegens 100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2019 stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna de uitkering werd beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 september 2019 voldoende recht doen aan haar klachten. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat haar medische situatie niet was verbeterd, mede op basis van nieuw medisch bewijs uit Turkije.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoger beroep geen nieuwe gronden bevat die tot een ander oordeel leiden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft alle beschikbare medische informatie betrokken en overtuigend gemotiveerd dat de beperkingen in de FML passend zijn. De medische informatie uit Turkije betreft een latere ingreep en leidt niet tot een andere beoordeling per 5 juni 2019.
De Raad bevestigt daarom de eerdere uitspraak en verklaart het hoger beroep ongegrond. De WGA-uitkering is terecht beëindigd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en de WGA-uitkering terecht is beëindigd.