ECLI:NL:CRVB:2022:192
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering wegens verdiencapaciteit boven 65% bevestigd
Appellant was werkzaam als lasser en ontving sinds december 2017 een WW-uitkering. Vanaf januari 2018 meldde hij zich ziek met lichamelijke en psychische klachten, waarna het UWV hem vanaf april 2018 ziekengeld verstrekte. Na een medische en arbeidsdeskundige beoordeling in 2018 en 2019 stelde het UWV vast dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen en beëindigde de ZW-uitkering per 6 april 2019.
Appellant maakte bezwaar en voerde onder meer aan dat zijn beperkingen door een operatie in oktober 2019 en psychische klachten onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank verwierp deze gronden, oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat latere ontwikkelingen geen invloed hadden op de situatie per 6 april 2019.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren en voegde een brief van zijn internist toe. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en het standpunt van het UWV, met name dat er geen sprake was van ernstige psychische beperkingen die het werken onmogelijk maken. De Raad concludeerde dat appellant niet verder beperkt is dan aangenomen en bevestigde de beëindiging van de ZW-uitkering.
De Centrale Raad van Beroep wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 maart 2021. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de ZW-uitkering per 6 april 2019 heeft beëindigd.