Appellante, na ontslag uit de zorgsector en zonder woonruimte en inkomen, vroeg op 5 maart 2019 een IOAW-uitkering aan. Het college wees deze aanvraag af omdat zij een gezamenlijke huishouding zou voeren met X en het recht niet kon worden vastgesteld. Appellante verbleef echter pas vanaf 26 maart 2019 bij X, waardoor de afwijzing over de periode 5 tot 27 maart 2019 niet deugdelijk was gemotiveerd.
De rechtbank handhaafde het besluit, maar de Raad oordeelt dat appellante wel degelijk gronden heeft aangevoerd en dat het college onvoldoende heeft doorgevraagd ondanks de onduidelijkheden over haar woonsituatie. Het college heeft de onderzoeksplicht geschonden door niet te achterhalen wanneer en waar appellante verbleef en of zij een vergoeding betaalde.
Vanaf 27 maart 2019 woonde appellante in een kamer bij X, met eigen huurcontract en voorzieningen. Er was onduidelijkheid over de mate van wederzijdse zorg, mede door het ontbreken van gespreksverslagen. Het college betrok de reactie van appellante op het huisbezoekverslag niet bij de besluitvorming, wat de zorgvuldigheid en motivering verder ondermijnde.
Gezien het tijdsverloop en het feit dat appellante vanaf 12 mei 2019 een IOAW-uitkering ontving, besloot de Raad zelf in de zaak te voorzien en het college te verplichten de uitkering vanaf 5 maart 2019 toe te kennen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.