ECLI:NL:CRVB:2022:1887
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant was sinds 2002 arbeidsongeschikt en ontving een WAO-uitkering. Na een herbeoordeling in 2018 stelde het UWV vast dat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt was, waardoor de uitkering werd beëindigd. Appellant maakte bezwaar en leverde aanvullende medische informatie aan, waarop het UWV de beperkingen deels aanpaste maar de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd bleef.
De rechtbank benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts die aanvullende beperkingen constateerde, maar ook deze leidden niet tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat vermoeidheid door medicatie niet was meegewogen, maar de Raad concludeerde dat de medische stukken aantoonden dat de medicatie was gestaakt vóór de datum in geschil.
De Raad oordeelde dat het UWV de beperkingen voldoende had meegewogen in de Functionele Mogelijkhedenlijst en dat de arbeidskundige beoordeling juist was. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De WAO-uitkering van appellant is terecht beëindigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.