ECLI:NL:CRVB:2022:1877

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2022
Publicatiedatum
29 augustus 2022
Zaaknummer
21/2754 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden in bestuurszaak sociale zekerheid

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Haarlem in een sociale zekerheidszaak. Volgens artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht moet het beroepschrift de gronden van het beroep bevatten. Het ingediende beroepschrift bevatte echter geen gronden.

De Centrale Raad van Beroep heeft het college bij brief van 24 maart 2022 en opnieuw bij aangetekende brief van 25 april 2022 in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van vier weken alsnog de beroepsgronden in te dienen. Het college heeft deze termijnen ongebruikt laten verlopen zonder verontschuldiging.

Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk en bleef de uitspraak van de rechtbank Haarlem in stand. Van het college werd een griffierecht van € 541,- geheven. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Haarlem is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.

Uitspraak

Datum uitspraak: 14 juli 2022
21/2754 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 17 juni 2021, 20/2987 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (appellant)
[naam] te [woonplaats]

PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld.

OVERWEGINGEN

In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van Pro de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden.
Bij brief van 24 maart 2022 is het college in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.
Het college heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brief van 25 april 2022 is aan het college nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is het college erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg zal hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.
Het college heeft ook die termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Nu de aangevallen uitspraak in stand blijft, dient van het college een griffierecht van
€ 541,- te worden geheven.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:
  • verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
  • bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 541,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van D. van der Boom als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2022.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) D. van der Boom
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.