Uitspraak
18.6521 WIA
15 november 2018, 16/4108 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
27 november 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als fysiotherapeut en meldde zich in november 2013 ziek na een periode van WW-uitkering. Het UWV stelde haar WIA-uitkering vast met een eerste arbeidsongeschiktheidsdag van 29 november 2013 en wees haar niet aan als medische afzakker. Appellante betwistte deze vaststelling en stelde dat haar arbeidsongeschiktheid eerder was begonnen, namelijk in 2006, en dat zij om medische redenen haar uren had verminderd.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het tweede besluit af. In hoger beroep bevestigde de Raad deze uitspraak. Uit medisch onderzoek bleek geen aanwijzing dat appellante om medische redenen haar uren had verminderd zonder zich ziek te melden, noch dat haar eerste arbeidsongeschiktheidsdag vóór 29 november 2013 lag.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht is uitgegaan van de laatst verrichte arbeid als maatman en dat de medische afzakker-regel niet van toepassing is. Ook wees de Raad het beroep op analoge toepassing van artikel 17, eerste lid, van het Dagloonbesluit af, omdat dit artikel niet ziet op perioden waarin een WW-uitkering werd genoten. De Raad concludeerde dat appellante geen grond had voor een hogere WIA-uitkering en bevestigde de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 29 november 2013 juist is vastgesteld en wijst het beroep van appellante af.