Uitspraak
5 februari 2021, 19/6044 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, die sinds 2012 arbeidsongeschikt is vanwege vaatproblematiek in de benen, vordert een WIA-uitkering op grond van vermeende toegenomen beperkingen sinds de eerdere beoordeling in 2014.
Het UWV heeft bij besluit van 23 april 2019 de toekenning van een WIA-uitkering geweigerd omdat de beperkingen niet zijn toegenomen binnen vijf jaar na de eerdere vaststelling. Dit besluit is door de rechtbank Rotterdam bevestigd, waarbij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek als zorgvuldig werd beoordeeld.
In hoger beroep herhaalt appellant zijn standpunt over toegenomen beperkingen, waaronder klachten aan benen, schouder, ellebogen, rug, mentale klachten en diabetes. De Raad onderschrijft echter de eerdere beoordeling dat er geen nieuwe medische informatie is die toegenomen beperkingen aantoont.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar, zodat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: Geen recht op WIA-uitkering wegens ontbreken van toegenomen beperkingen binnen vijf jaar.