ECLI:NL:CRVB:2022:1803
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-uitkering na zorgvuldige herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds 2011 ziek gemeld en ontving vanaf 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2019 stelde een verzekeringsarts beperkingen vast, maar een arbeidsdeskundige kon passende functies selecteren, waardoor de arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld tussen 80 en 100%. Na bezwaar van de werkgever werd een aanvullend onderzoek uitgevoerd, waarbij een verzekeringsarts bezwaar en beroep een gewijzigde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opstelde en een arbeidsdeskundige de arbeidsongeschiktheid berekende op 24,64%. Het Uwv beëindigde daarop de WGA-uitkering per 1 mei 2020.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de verzekeringsarts bezwaar en beroep alle relevante medische gegevens, waaronder van huisarts, neuroloog en psycholoog, had betrokken. De Raad onderschrijft dit oordeel en wijst het hoger beroep af. Appellante voerde aan dat haar psychische klachten en beperkingen door het Carpale Tunnel Syndroom onvoldoende waren meegewogen, maar de Raad volgt de rechtbank in het oordeel dat deze klachten niet leiden tot een andere beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beperkingen voor hand- en vingergebruik adequaat gemotiveerd aangepast in de FML.
De Raad concludeert dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld op minder dan 35% en de WGA-uitkering terecht heeft beëindigd. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De WGA-uitkering van appellante is terecht beëindigd vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.