ECLI:NL:CRVB:2022:1787

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 augustus 2022
Publicatiedatum
15 augustus 2022
Zaaknummer
20/2693 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:26 AwbArt. 8:57 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens overlijden appellant zonder opvolging door erfgenamen

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Tijdens de procedure is appellant overleden op 22 november 2021. De Raad heeft de advocaat van appellant verzocht te melden of de erfgenamen het hoger beroep wensen voort te zetten. Ondanks herhaalde verzoeken en een oproep in de Staatscourant hebben zich geen erfgenamen gemeld om het geding voort te zetten.

Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft geen gebruik gemaakt van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten. De Centrale Raad van Beroep overweegt dat het belang van appellant bij voortzetting van het geding is vervallen door zijn overlijden en dat geen procesbelang meer bestaat omdat geen erfgenamen het hoger beroep voortzetten.

Daarom verklaart de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter F. Hoogendijk op 2 augustus 2022.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overlijden appellant zonder opvolging door erfgenamen.

Uitspraak

20 2693 PW

Datum uitspraak: 2 augustus 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
25 juni 2020, 19/6262 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) in leven laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.F.H. Tamboenan, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Op 17 januari 2022 heeft mr. Tamboenan meegedeeld dat appellant op 22 november 2021 is overleden. De Raad heeft mr. Tamboenan verzocht mee te delen of de erven van appellant de procedure wensen voort te zetten. Ondanks herhaalde verzoeken daartoe heeft mr. Tamboenan niet gereageerd.
De Raad heeft, gelet op artikel 8:26, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de Staatscourant van 20 april 2022 een oproep aan de erven van appellant gedaan om zich te melden en te kennen te geven of zij de procedure wensen voort te zetten.
Niemand heeft zich gemeld.
Het college heeft desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De indiener van het hoger beroep, appellant, is overleden. Daarmee is zijn belang bij voortzetting van het geding vervallen.
2. Niet is gebleken van erfgenamen die appellant als partij in dit geding zijn opgevolgd en die het geding zouden willen voortzetten. Ook na de oproep in de Staatscourant heeft niemand zich daarvoor gemeld.
3. Dit betekent dat er geen processueel belang meer is om het hoger beroep te beoordelen. Het hoger beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van B. van Dijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2022.
(getekend) F. Hoogendijk
(getekend) B. van Dijk