ECLI:NL:CRVB:2022:1760
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds 2015 wegens medische redenen niet meer werkte, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat de medische beoordeling juist en volledig was, ondanks dat in Frankrijk een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage was vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onvoldoende waren vastgesteld, met name ten aanzien van psychische klachten en vermoeidheid, en dat hij niet in staat was om 40 uur per week te werken. Hij verzocht om benoeming van een deskundige. Het UWV handhaafde haar standpunt met aanvullende rapporten.
De Raad oordeelde dat de medische en arbeidskundige beoordeling van het UWV juist was en dat de ernst van de psychische en lichamelijke klachten adequaat was meegenomen. De Raad vond geen aanleiding om de FML aan te passen of een deskundige te benoemen. Omdat appellant ondanks beperkingen in staat wordt geacht andere passende functies te vervullen, is het loonverlies minder dan 35%. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant terecht geen WIA-uitkering ontvangt wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.