Uitspraak
22.85 WIA
mr. L.J.M.M. de Poel.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als stratenmaker/kabeltrekker, meldde zich in februari 2017 ziek met rugklachten. Na een WIA-aanvraag kende het Uwv hem in mei 2019 een uitkering toe op basis van 49,80% arbeidsongeschiktheid. Na bezwaar en heroverweging concludeerden artsen dat er aanvullende psychische beperkingen waren, maar dat er geen sprake was van verlies aan verdienvermogen. Het Uwv besloot daarop de uitkering per juli 2020 stop te zetten.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het Uwv werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat volledige arbeidsongeschiktheid ontbreekt en dat de beperkingen adequaat zijn meegenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De rechtbank vond geen medische reden voor een urenbeperking en oordeelde dat aanpassing van het werk de voorkeur heeft.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat hij recht heeft op een IVA-uitkering vanwege ernstige psychische klachten en gebrek aan zelfredzaamheid. De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat het Uwv voldoende gemotiveerd heeft dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De medische stukken ondersteunen het standpunt van appellant niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: De WIA-uitkering van appellant wordt terecht beëindigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.