ECLI:NL:CRVB:2022:1730
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek na een verkeersongeval met lichamelijke en cognitieve klachten. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde daarom een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat haar niet aangeboren hersenletsel, whiplash en depressie onvoldoende waren meegewogen. Zij overhandigde een medisch advies uit een letselschadeprocedure ter onderbouwing. De Raad volgde echter het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de beperkingen juist waren vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 17 augustus 2018.
De Raad concludeerde dat de verzekeringsarts alle klachten en medische informatie deugdelijk had betrokken en dat er geen aanwijzingen waren voor meer beperkingen dan vastgesteld. De geselecteerde functies waren geschikt voor appellante. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.