ECLI:NL:CRVB:2022:1652
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar geen WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat het UWV een zorgvuldig medisch onderzoek had verricht en de belastbaarheid juist had ingeschat.
In hoger beroep richtte appellante zich vooral op haar psychische klachten, die zij als ernstiger ervoer dan door het UWV was vastgesteld. Zij slaagde er echter niet in deze stelling met medische stukken te onderbouwen, ondanks een aangekondigde inbreng van GGZ-bescheiden. Ook haar bewering over dagelijks contact met de huisarts werd niet met relevante gegevens ondersteund.
De Raad concludeerde dat de verzekeringsartsen van het UWV terecht uitgingen van een stemmingsstoornis en posttraumatische stressklachten, passend bij het medische beeld en de functionele beperkingen zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst. Ook het lichamelijk onderzoek en de daarbij aangenomen beperkingen werden als zorgvuldig en juist beoordeeld.
Het hoger beroep werd daarom verworpen en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.