ECLI:NL:CRVB:2022:1632
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit arbeidsongeschiktheid en bevestiging gewijzigde WIA-uitkering
Appellant was werkzaam als constructiebankwerker en meldde zich ziek op 9 mei 2018. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant gedeeltelijk arbeidsongeschikt was en kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 36,53%. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en het medisch oordeel juist.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, waaronder de stelling dat hij volledig arbeidsongeschikt zou zijn en dat het UWV onvoldoende contact had gehad met zijn behandelaars. Het UWV had in de procedure een gewijzigd besluit genomen, waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage werd verhoogd naar 41,11% en een andere functie als passend werd beschouwd.
De Raad oordeelde dat het eerdere besluit vernietigd moest worden vanwege het gewijzigde besluit van het UWV. Het beroep tegen het gewijzigde besluit werd ongegrond verklaard omdat appellant geen nieuwe gronden aanvoerde en het onderzoek en de beoordeling zorgvuldig en gemotiveerd waren. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellant. Hiermee werd de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van 41,11% bevestigd.
Uitkomst: Het eerdere besluit over de arbeidsongeschiktheid is vernietigd en het gewijzigde besluit met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 41,11% is bevestigd.