ECLI:NL:CRVB:2022:1626
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na zorgvuldige herbeoordeling
Appellant, voormalig heftruckchauffeur, ontving sinds 2010 een WGA-uitkering wegens psychische klachten en een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een herbeoordeling op verzoek van de ex-werkgever stelde het UWV vast dat appellant met ingang van 1 september 2020 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de conclusies begrijpelijk waren.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, met name vanwege een telefonisch spreekuurcontact en het ontbreken van informatie van behandelaren. Daarnaast stelde hij dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) waren onderschat en dat de geselecteerde functies te belastend waren. De Raad volgde deze standpunten niet en bevestigde dat het onderzoek zorgvuldig was, mede door een uitgebreide expertise en het feit dat appellant niet meer onder behandeling was.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht had vastgesteld dat appellant geschikt was voor de geselecteerde functies en dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van 20,87% juist was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.