ECLI:NL:CRVB:2022:1620
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als medewerker coffeeshop, vroeg met terugwerkende kracht een WIA-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid per 21 oktober 2017. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellant juist waren vastgesteld. Psychische klachten werden niet als relevant voor de datum in geding beschouwd. Ook de arbeidskundige beoordeling dat de geselecteerde functies geschikt waren, werd onderschreven.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen over onderschatting van beperkingen en overgelegd nieuw medisch bewijs, waaronder een expertiserapport en psychologische rapporten. De Raad volgde het UWV en de rechtbank in hun oordeel dat deze aanvullende gegevens niet leiden tot een andere beoordeling, mede omdat ze niet betrekking hadden op de datum in geding of een ander beoordelingskader hadden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en het besluit van het UWV om de WIA-uitkering te weigeren wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Er werd geen aanleiding gezien voor het toewijzen van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35%.