ECLI:NL:CRVB:2022:1616
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen
Appellant, geboren in 1974, ontvangt sinds 1992 een arbeidsongeschiktheidsuitkering die sinds 1998 is voortgezet als Wajong-uitkering. Het UWV heeft in 2017 vastgesteld dat appellant arbeidsvermogen heeft, waardoor zijn uitkering per 1 januari 2018 werd verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. Appellant maakte bezwaar tegen deze verlaging en het bijbehorende werkplan, maar deze bezwaren werden ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de verlaging van de uitkering ongegrond, stellende dat appellant ten minste vier uur per dag belastbaar is en een taak als 'bemannen balie' kan uitvoeren. Appellant ging in hoger beroep en betwistte dat hij belastbaar is voor vier uur per dag en dat de voorgestelde taak geschikt is.
De Raad schakelde een onafhankelijke deskundige in die bevestigde dat appellant belastbaar is voor ten minste vier uur per dag en de taak kan uitvoeren met enige ergonomische aanpassingen. De Raad oordeelde dat het rapport van de deskundige zorgvuldig en overtuigend is en dat de bezwaren van appellant, gebaseerd op een andere methodiek, onvoldoende zijn om het oordeel te wijzigen.
De Raad concludeert dat appellant arbeidsvermogen heeft en de verlaging van de Wajong-uitkering terecht is. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de Wajong-uitkering naar 70% van het minimumloon is terecht bevestigd.