Appellanten ontvingen bijstand sinds 2014 en hebben tussen 2015 en 2017 verschillende betalingen via Western Union ontvangen die zij niet tijdig hebben gemeld aan het college. Het college herzag de bijstand, vorderde terugbetaling en legde boetes op wegens schending van de inlichtingenverplichting.
Appellanten voerden aan dat het om leningen ging die zij moesten terugbetalen en dat zij niet wisten dat zij deze betalingen moesten melden. Deze verweren werden verworpen omdat bedragen die via derden worden ontvangen als middelen worden aangemerkt en de meldingsplicht objectief is. Ook waren de financiële omstandigheden van appellanten geen dringende reden om van terugvordering af te zien.
De Raad oordeelde dat het college bevoegd was tot brutering van de terugvordering en dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden. De boete werd echter verlaagd van €850,38 naar €655,03, rekening houdend met de draagkracht van appellanten die inmiddels gescheiden leven en een inkomen op bijstandsniveau hebben.
De aangevallen uitspraak werd vernietigd voor zover het de boete betreft en het bestreden besluit werd aangepast. Het college werd veroordeeld in de proceskosten van appellanten.