ECLI:NL:CRVB:2022:1591

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 juli 2022
Publicatiedatum
18 juli 2022
Zaaknummer
21/2273 WUV-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens niet-betaling griffierecht in hoger beroep tegen SVB-besluit

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) van 19 mei 2021. De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep op 17 februari 2022 niet-ontvankelijk wegens het niet voldoen van het griffierecht. Appellant maakte bezwaar tegen deze niet-ontvankelijkverklaring door middel van verzet.

In het verzet is gebleken dat niet kan worden vastgesteld of de herinnering tot betaling van het griffierecht van 31 juli 2021 appellant daadwerkelijk heeft bereikt. Vervolgens heeft appellant een nieuwe herinnering ontvangen en het griffierecht alsnog voldaan.

De Raad verklaart het verzet gegrond, waardoor de eerdere niet-ontvankelijkverklaring vervalt. Het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de niet-ontvankelijkverklaring. De Raad ziet geen aanleiding om proceskosten aan appellant te vergoeden.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring wordt opgeheven, waarna de procedure wordt voortgezet.

Uitspraak

Datum uitspraak: 7 juli 2022
21/2273 WUV-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen:
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft het hoger beroep van appellant tegen het besluit van de Svb van 19 mei 2021, BZ011350450, op 17 februari 2022 niet-ontvankelijk verklaard. Dat betekent dat de Raad het beroep niet inhoudelijk in behandeling kan nemen. De Raad heeft de beslissing genomen op grond van de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht.
Appellant is het niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring en heeft verzet ingediend.

OVERWEGINGEN

In de uitspraak van de Raad van 17 februari 2022 is het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet is betaald.
In verzet is gebleken dat niet kan worden vastgesteld of de herinnering griffierecht van
31 juli 2021 appellant heeft bereikt. Appellant heeft een nieuwe herinnering ontvangen en het griffierecht is alsnog voldaan.
Dit betekent dat het verzet gegrond wordt verklaard, de uitspraak van de Raad van 17 februari 2022 vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
De Raad ziet geen aanleiding om proceskosten aan appellant te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van K.R. van Renswoude als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2022.
(getekend) J.C. Boeree
(getekend) K.R. van Renswoude