ECLI:NL:CRVB:2022:1586
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering naar 65-80% arbeidsongeschiktheid na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant ontving sinds 1998 met onderbrekingen een WAO-uitkering vanwege psychische klachten gerelateerd aan zijn uitzending als militair. In 2018 verzocht hij om herziening van zijn uitkering wegens toegenomen klachten. Het UWV stelde aanvankelijk de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 55 tot 65%, wat appellant betwistte en waartegen bezwaar en beroep werd ingesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellant ging in hoger beroep tegen deze beslissing en handhaafde zijn standpunt dat zijn belastbaarheid werd onderschat. Het UWV nam op 9 december 2021 een nieuw besluit waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 65 tot 80%.
De Raad toetste dit besluit aan de hand van het arrest Korošec en concludeerde dat het UWV voldoende zorgvuldig medisch onderzoek had verricht, inclusief psychisch onderzoek en dossierstudie. Er was geen sprake van schending van het beginsel van equality of arms. De medische en arbeidskundige grondslagen waren deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerd. Het beroep tegen het nieuwe besluit werd ongegrond verklaard.
Daarnaast werd het verzoek van appellant om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen uitkering toegewezen. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van deze schade en de proceskosten van appellant in hoger beroep. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd voor zover aangevochten vernietigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de herziening van de WAO-uitkering naar 65 tot 80% arbeidsongeschiktheid wordt ongegrond verklaard.