ECLI:NL:CRVB:2022:1580
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA bevestigd
Appellant ontvangt sinds mei 2015 een WIA-uitkering. Het UWV stelde in juli 2019 vast dat appellant 51,39% arbeidsgeschikt is, maar na bezwaar werd dit in januari 2020 bijgesteld naar 62,40% arbeidsongeschiktheid. De rechtbank oordeelde dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd, waarna het UWV een aanvullend rapport overlegde dat het motiveringsgebrek herstelde. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen, waardoor de arbeidsongeschiktheid op 62,40% bleef.
In hoger beroep betwist appellant de uitspraak en overlegt een brief van het FACT-team waarin wordt gesteld dat hij niet zelfstandig kan functioneren en voortdurende begeleiding nodig heeft. De Raad volgt echter het oordeel van de rechtbank dat deze brief onvoldoende aanleiding geeft om de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid te wijzigen. Het verzoek om benoeming van een onafhankelijk deskundige wordt afgewezen wegens gebrek aan twijfel.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant 62,40% arbeidsongeschikt is en wijst het hoger beroep af.