ECLI:NL:CRVB:2022:1566
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als verzorgende C en meldde zich ziek met diverse klachten. Na een wachttijd en een uitgesteld besluit vanwege niet nagekomen re-integratieverplichtingen, stelde een verzekeringsarts vast dat appellante beperkingen had, vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige concludeerde dat appellante niet geschikt was voor haar oude werk, maar wel voor andere functies, wat resulteerde in een arbeidsongeschiktheidspercentage van 31,36%. Het UWV weigerde daarom een WIA-uitkering toe te kennen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische en lichamelijke klachten onderschat waren en dat zij geen benutbare mogelijkheden had om te werken.
De Centrale Raad van Beroep volgde appellante niet en stelde dat de situatie van appellante niet voldeed aan de strikte criteria voor volledige ongeschiktheid tot arbeid. De Raad vond de medische beoordeling en de motivering van het UWV voldoende en zag geen aanwijzingen om het oordeel te wijzigen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van een WIA-uitkering wordt bevestigd.