Uitspraak
21.4264 ZW
OVERWEGINGEN
5 oktober 2020 ten grondslag.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was verkeerskundig beheerder en meldde zich ziek wegens psychische klachten. Het UWV beoordeelde dat hij met beperkingen nog 67,32% van zijn maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde daarom het recht op ziekengeld per 30 juni 2020.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de geselecteerde functies passend waren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de onderzoeken onzorgvuldig waren en dat zijn beperkingen werden onderschat, mede vanwege vermeende partijdigheid van UWV-arts.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en stelde vast dat het herhaalde verweer onvoldoende was om het oordeel te wijzigen. De Raad bevestigde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat appellant geen nieuwe medische informatie had ingebracht. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot beëindiging van het recht op ziekengeld wordt bevestigd.