ECLI:NL:CRVB:2022:1531
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering na zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek bevestigd
Appellant was productiemedewerker en meldde zich ziek met klachten aan armen, schouders, nek en psychische klachten. Het UWV stelde vast dat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen, waarna de ZW-uitkering werd beëindigd. Appellant maakte bezwaar en voerde in hoger beroep aan dat hij door pijn en psychische klachten een sterk verminderd energieniveau heeft en een urenbeperking nodig is.
De rechtbank oordeelde dat het UWV zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek had verricht, waarbij de verzekeringsarts appellant fysiek en psychisch onderzocht en een Functionele Mogelijkhedenlijst opstelde. De rechtbank vond geen medische noodzaak voor verdere beperkingen of een urenbeperking en wees het beroep af.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. Er was geen aanleiding voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige. De medische stukken van appellant ondersteunden zijn stellingen onvoldoende. De Raad volgde de verzekeringsarts die stelde dat activering en arbeid juist kunnen bijdragen aan vermindering van klachten en dat er geen sterke energetische belemmering is.
De Raad concludeerde dat de functies waarop het UWV de verdiencapaciteit baseerde medisch geschikt zijn en dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De ZW-uitkering van appellant is terecht beëindigd omdat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen.