ECLI:NL:CRVB:2022:1519
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na herbeoordeling
Appellant was werkzaam als inpakker en meldde zich in 2009 ziek met fysieke en psychische klachten. Na een WGA-uitkering toegekend te hebben gekregen in 2011, vond een herbeoordeling plaats in 2019, waarbij medisch en arbeidskundig onderzoek in Turkije werd uitgevoerd. Op basis hiervan stelde het UWV vast dat appellant belastbaar was met een arbeidsongeschiktheid van 6,90%, wat leidde tot beëindiging van de WIA-uitkering per 5 december 2019.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen van appellant juist waren vastgesteld, waarbij zowel psychische als fysieke klachten voldoende waren meegewogen. De rechtbank vond geen aanleiding voor het aannemen van meer beperkingen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. Er was geen nieuwe medische informatie die tot een ander oordeel leidde. De Raad bevestigde daarom de beëindiging van de WIA-uitkering en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: De WIA-uitkering van appellant wordt beëindigd vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.