ECLI:NL:CRVB:2022:1466
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als kamermeisje en meldde zich ziek met schouderklachten en flauwvallen. Na verschillende beoordelingen kende het UWV haar een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%, die later werd herbeoordeeld en verlaagd tot minder dan 35%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het besluit van het UWV ongegrond, waarbij het medisch onderzoek zorgvuldig en overtuigend werd gemotiveerd. Er werd rekening gehouden met haar pijnklachten, medicatiegebruik en psychische problematiek, zonder dat er aanwijzingen waren voor onderschatting.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank. De Raad stelde vast dat de psychische stoornis matig van ernst is en dat het UWV de beperkingen passend heeft vastgesteld. Ook de pijnklachten en fysieke beperkingen zijn adequaat meegenomen.
De Raad concludeert dat appellante medisch geschikt is voor de functies waarop de arbeidsongeschiktheid is gebaseerd en bevestigt het besluit tot beëindiging van de WGA-uitkering. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en de WGA-uitkering terecht is beëindigd.