ECLI:NL:CRVB:2022:1417
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht en ontbreken beroepsgronden
Appellanten, de erven van betrokkene, hebben hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. De Raad wees appellanten erop dat een griffierecht van €136,- verschuldigd was, met een betalingstermijn van 28 dagen na kennisgeving. Ondanks herhaalde aanmaningen, waaronder aangetekende brieven, werd het griffierecht niet binnen de gestelde termijnen betaald.
Daarnaast bevatte het ingediende beroepschrift geen gronden, hetgeen in strijd is met artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Appellanten kregen meerdere kansen om dit te herstellen, maar lieten deze termijnen ongebruikt voorbijgaan. Op basis van de beschikbare gegevens kon niet worden geoordeeld dat appellanten niet in verzuim waren.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk en besloot zonder inhoudelijke behandeling van de zaak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in aanwezigheid van griffier J.M. Labage, op 8 juni 2022.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en het ontbreken van beroepsgronden.