ECLI:NL:CRVB:2022:1383
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid blokkering bijstandsuitkering wegens gegrond vermoeden van onrechtmatigheid
Appellant ontvangt sinds augustus 2019 bijstand en is sinds mei 2020 dakloos met een postadres in Vlaardingen. Het college stelde een onderzoek in naar de rechtmatigheid van de bijstand na het constateren van meerdere bijschrijvingen op de bankrekening van appellant en zijn werkzaamheden voor vrienden. Appellant moest maandelijks een inkomstenformulier invullen, met blokkering van de uitkering bij niet-inlevering.
In augustus 2020 werd de bijstand geblokkeerd wegens een gegrond vermoeden dat appellant geen recht meer had op volledige bijstand. Appellant maakte bezwaar, dat door het college en de rechtbank ongegrond werd verklaard. De rechtbank oordeelde dat het college op basis van bankafschriften en gesprekken het vermoeden mocht hebben dat appellant inkomsten had, ondanks zijn verklaring van geen inkomsten.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de blokkering onrechtmatig was en dat hij recht had op bijstand over augustus 2020 en daarna, onder aftrek van inkomsten. De Raad oordeelde dat de beroepsgronden niet gericht waren tegen de blokkering zelf en dat de rechtbank de beoordeling terecht had gedaan. De eerdere opmerkingen over nader onderzoek door het college zijn niet beslissend.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de rechtmatigheid van de blokkering van de bijstandsuitkering van appellant.