ECLI:NL:CRVB:2022:1377
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging zorgvuldig medisch onderzoek en afwijzing WIA-uitkering appellant
Appellant was tot 1 juli 2016 werkzaam als postbode/chauffeur en meldde zich in januari 2017 ziek. Het UWV weigerde vanaf januari 2019 een WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, wat door de rechtbank werd bevestigd. In april 2020 meldde appellant zich opnieuw ziek met toegenomen klachten. Het UWV stelde vast dat appellant geen recht had op een Ziektewetuitkering per 1 april 2020.
Na bezwaar werd appellant op 29 juli 2020 onderzocht door een verzekeringsarts bezwaar en beroep, die concludeerde dat appellant geschikt was voor ten minste één van de eerder geselecteerde functies. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsarts. Appellant leverde geen medische informatie aan die het oordeel zou kunnen wijzigen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, mede door telefonische contacten vanwege corona, en dat zijn medische gegevens onvoldoende waren betrokken. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende nieuwe gronden aanvoerde en dat het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, inclusief een persoonlijk onderzoek, zorgvuldig en volledig was. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.