ECLI:NL:CRVB:2022:1328
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening weigering IVA-uitkering wegens onvoldoende onderbouwing duurzame arbeidsongeschiktheid
Betrokkene was volledig arbeidsongeschikt verklaard en ontving een WGA-uitkering. Appellante verzocht om herbeoordeling met het standpunt dat betrokkene recht heeft op een IVA-uitkering wegens volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Het Uwv weigerde dit op basis van een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die stelde dat de arbeidsongeschiktheid slechts tijdelijk was en verbetering te verwachten was.
De rechtbank bevestigde dit standpunt, stellende dat adequate behandeling nog mogelijk was en dat geen sprake was van duurzame arbeidsongeschiktheid. In hoger beroep stelde appellante dat de verzekeringsarts onvoldoende rekening hield met eerdere behandelingen en de beperkte kans op herstel, en dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd was.
De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende concrete en deugdelijke onderbouwing had gegeven voor de verwachte verbetering, mede gezien het langdurige ziekteverloop en eerdere ineffectieve behandelingen. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en bepaalde dat betrokkene vanaf 5 juli 2016 recht heeft op een IVA-uitkering.
Daarnaast werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellante. De uitspraak vervangt het eerdere besluit en bevestigt de duurzame volledige arbeidsongeschiktheid van betrokkene.
Uitkomst: Betrokkene heeft met ingang van 5 juli 2016 recht op een IVA-uitkering wegens duurzame volledige arbeidsongeschiktheid.