ECLI:NL:CRVB:2022:1310

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juni 2022
Publicatiedatum
15 juni 2022
Zaaknummer
21/195 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54a BarpArt. 4:13 AwbArt. 4:87 AwbArt. 4:98 AwbArt. 4:102 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wettelijke rente over smartengeldvergoeding bij ambtenaar correct berekend volgens Awb

Betrokkene diende op 29 september 2017 een verzoek in bij de korpschef van politie voor smartengeld op grond van artikel 54a van het Barp. De korpschef stelde de aanvraag aanvankelijk buiten behandeling wegens het ontbreken van een arbeidsongeschiktheidspercentage en stelde later het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente af.

De rechtbank Noord-Nederland oordeelde dat de korpschef de wettelijke rente moest betalen en bepaalde een bedrag van €6.232,04. De korpschef ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en stelde dat betrokkene per saldo niet tekort was gedaan omdat het smartengeld reeds was geïndexeerd naar 2020.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de Awb geen uitzondering maakt voor situaties waarin geldontwaarding al is ondervangen door indexering. De wettelijke rente moet worden berekend vanaf 5 januari 2018 over het toen geldende geïndexeerde maximumbedrag van 2018, met jaarlijkse rente-op-rente verhoging tot de dag van volledige betaling.

De Raad vernietigde het eerdere vonnis voor zover het bedrag van €6.232,04 was vastgesteld en veroordeelde de korpschef tot betaling van wettelijke rente volgens de juiste berekeningswijze. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De korpschef wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over het smartengeld vanaf 5 januari 2018 volgens de juiste berekeningswijze.

Uitspraak

21.195 AW

Datum uitspraak: 9 juni 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
10 december 2020, 19/2972 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de korpschef van politie (korpschef)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
PROCESVERLOOP
De korpschef heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. W. de Klein, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2022. Namens betrokkene is mr. De Klein verschenen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.H. ten Have en mr. T.E.O. Tjon A Njoek.

OVERWEGINGEN

1.1.
Op 29 september 2017 heeft betrokkene een verzoek gedaan aan de korpschef om smartengeld als bedoeld in artikel 54a van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Bij brief van 4 december 2017 heeft de korpschef betrokkene medegedeeld dat advies moet worden gevraagd aan een medisch expert van Cunningham Lindsey Nederland om te onderzoeken in welke mate de klachten van het Posttraumatisch stress syndroom (PTSS) het arbeidsongeschiktheidspercentage bepalen. Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van het reeds aanwezige dossier een smartengelduitkering dient te worden toegekend. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 4 december 2017. Betrokkene is vervolgens een beroepsprocedure begonnen tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Bij uitspraak van 19 juni 2018 van de rechtbank Noord-Nederland, ECLI:NL:RBNNE:2018:2525, is de korpschef opgedragen om een besluit op de aanvraag te nemen.
1.2.
Bij besluit van 25 juli 2018 heeft de korpschef vervolgens de aanvraag van betrokkene om smartengeld buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van een BI-percentage. Op 14 augustus 2018 heeft de korpschef dit besluit gecorrigeerd.
1.3.
Op 25 januari 2019 heeft de korpschef het besluit van 25 juli 2018 wegens formele gebreken ingetrokken en een nieuw besluit genomen, waarin staat dat vanwege het uitblijven van toestemming voor een medisch advies de aanvraag buiten behandeling zal worden gesteld.
1.4.
Bij besluit van 12 augustus 2019 heeft de korpschef de bezwaren van betrokkene tegen de besluiten van 4 december 2017 en 25 juli 2018 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 25 januari 2019 gegrond verklaard. Dit besluit wordt ingetrokken en de aanvraag wordt alsnog afgewezen. Betrokkene heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.5.
Bij besluit van 24 februari 2020 heeft de korpschef het besluit van 12 augustus 2019 herzien en aan betrokkene een bedrag aan smartengeld toegekend van €133.152,-. De korpschef heeft aan betrokkene medegedeeld dat op grond van artikel 54a van het Barp de smartengeldvergoeding per 1 januari van elk kalenderjaar bij ministeriële regeling wordt gewijzigd overeenkomstig de consumentenprijsindex. Wanneer het geïndexeerde bedrag 2020 is vastgesteld, volgt daarom nog een aanvullend besluit. Over een eventueel bedrag aan wettelijke rente zal betrokkene ook nog een apart bericht krijgen.
1.6.
Bij besluit van 31 maart 2020 heeft de korpschef, gelet op indexering van 2020, aan betrokkene een bedrag van € 3.332,- nabetaald.
1.7.
Bij besluit van 10 april 2020 heeft de korpschef het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente afgewezen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 10 april 2020 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de korpschef veroordeeld tot het betalen van de wettelijke rente tot een bedrag van € 6.232,04.
3. In hoger beroep heeft de korpschef zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Primair heeft de korpschef betoogd dat betrokkene in deze situatie geen recht heeft op wettelijke rente, omdat betrokkene per saldo niet tekort is gedaan. Betrokkene heeft in zijn totaliteit al een groter bedrag aan smartengeld ontvangen dan hij zou hebben ontvangen als zijn verzoek om smartengeld in 2017 was gehonoreerd. Het smartengeld is namelijk vastgesteld op basis van het geïndexeerde maximumbedrag voor 2020. Dit betoog slaagt niet. Het smartengeld wordt op grond van artikel 54a, vijfde lid, van het Barp jaarlijks geïndexeerd. Uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vloeit een gehoudenheid tot betaling van wettelijke rente voort. De Awb maakt geen uitzondering voor situaties zoals deze, waarin het effect van geldontwaarding ook al is ondervangen door middel van wettelijke indexering.
4.2.
De korpschef heeft verder aangevoerd dat het onjuist is om de wettelijke rente te berekenen over de in 2020 aan de hand van het over dat jaar geïndexeerde maximumbedrag uitbetaalde som, zoals de rechtbank heeft gedaan. Op het moment waarop op de aanvraag moest worden beslist was immers een lager bedrag verschuldigd. Ter zake overweegt de Raad als volgt.
4.3.
De aanvraag van betrokkene dateert van 29 september 2017. De beslistermijn bedroeg op grond van artikel 4:13 van Pro de Awb maximaal acht weken. Dit betekent dat op 24 november 2017 op de aanvraag had moeten zijn beslist. Op grond van de artikelen 4:87, 4:98 en 4:102 van de Awb gaat de wettelijke rente dan lopen vanaf 5 januari 2018. Op deze datum was er nog geen sprake van indexering naar het jaar 2020. De wettelijke rente dient vanaf de ingangsdatum 5 januari 2018 dan ook te worden berekend over het bedrag aan smartengeld dat verschuldigd zou zijn geweest met toepassing van het geïndexeerde maximumbedrag op die datum, dat wil zeggen het bedrag over 2018. Telkens na afloop van een jaar dient het bedrag waarover de rente wordt berekend te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. De wettelijke rente loopt tot de dag van de algehele voldoening.
4.4.
Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep in zoverre slaagt. De aangevallen uitspraak moet daarom worden vernietigd voor zover de rechtbank de door de korpschef te betalen wettelijke rente heeft bepaald op € 6.232,04. De Raad zal de korpschef veroordelen tot betaling van wettelijke rente conform het overwogene onder 4.3.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de korpschef daarbij is veroordeeld tot het betalen van de wettelijke rente aan betrokkene tot een bedrag van € 6.232,04;
  • veroordeelt de korpschef tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente, berekend op de wijze zoals weergegeven onder 4.3.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van D. Al-Zubaidi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2022.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) D. Al-Zubaidi