ECLI:NL:CRVB:2022:1292
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als medewerker inpak, viel uit na een verkeersongeval in 2016 en vroeg een WIA-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde op basis van medische en arbeidsdeskundige rapporten vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen. Zowel in bezwaar als in beroep werden deze besluiten bevestigd.
De rechtbank oordeelde dat de medische beperkingen van appellante, zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), juist waren vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde uitvoerig waarom de door appellante ingebrachte medische gegevens geen aanleiding gaven tot een ander oordeel. Lichamelijke klachten werden erkend maar niet als zodanig ernstig dat zij tot meer beperkingen leidden. Psychische klachten werden als minder ernstig beoordeeld dan door appellante gesteld, mede door inconsistenties en een taalbarrière.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten en overhandigde aanvullende medische stukken, waaronder van een orthopedisch chirurg en psychiater. De Raad volgde het oordeel van de rechtbank en verzekeringsarts bezwaar en beroep dat deze nieuwe gegevens geen aanleiding gaven voor een ander oordeel. Het verzoek om een onafhankelijk deskundige werd afgewezen. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en het besluit van het UWV.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.