ECLI:NL:CRVB:2022:1280
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid volgens Wet WIA
Appellant, laatst werkzaam als schoonmaker, maakte bezwaar tegen het UWV-besluit waarin werd vastgesteld dat hij geen recht had op een WIA-uitkering wegens het niet volledig doorlopen van de wachttijd. Na een herbeoordeling werd vastgesteld dat appellant recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 38,41%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen, inclusief psychische klachten zoals een depressieve stoornis en gegeneraliseerde angststoornis, adequaat waren meegenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat niet al zijn klachten waren betrokken, met name zijn psychische beperkingen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoger beroep geen nieuwe gronden bevat en bevestigt dat het UWV zorgvuldig heeft gehandeld. De psychische klachten zijn voldoende in de FML verwerkt, en er is geen reden om te twijfelen aan de geschiktheid van de geselecteerde voorbeeldfuncties. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de juiste vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 38,41% en verklaart het hoger beroep ongegrond.