ECLI:NL:CRVB:2022:128
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toegenomen beperkingen en recht op WIA-uitkering afgewezen
Appellante, werkzaam als verzorgende IG, meldde zich in 2012 ziek vanwege rug-, bekken- en psychische klachten. Het UWV weigerde in 2015 een WIA-uitkering toe te kennen omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was. Na een melding van verslechtering in 2018 stelde een verzekeringsarts vast dat haar belastbaarheid gelijk bleef aan de FML van 2015. Het bezwaar van appellante werd ongegrond verklaard door het UWV en de rechtbank.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar klachten waren toegenomen en dat de medische gegevens, waaronder een diagnose surmenage, tot twijfel aan de eerdere beoordeling moesten leiden. Zij verzocht om een onafhankelijk deskundige.
De Raad oordeelde dat de vraag naar toegenomen beperkingen voorafgaat aan de oorzaak daarvan. De medische rapporten van 2018 en 2019 toonden geen objectieve toename van beperkingen ten opzichte van de FML van 2015. De klachten waren grotendeels hetzelfde en de psychische klachten werden toegeschreven aan externe factoren. De verwachting van verslechtering in 2015 was onvoldoende om het oordeel te wijzigen.
Daarom bevestigde de Raad het besluit dat per 3 oktober 2017 geen recht op WIA-uitkering bestaat. Het verzoek om een deskundige werd afgewezen en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op WIA-uitkering per 3 oktober 2017 wordt afgewezen.