ECLI:NL:CRVB:2022:117
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA bevestigd
Appellant, voormalig commercieel en marketing directeur, meldde zich ziek met psychische klachten en ontving een WIA-uitkering. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant voor 73,69% arbeidsongeschikt is. Na bezwaar en beroep bleef deze vaststelling ongewijzigd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij het medisch onderzoek als zorgvuldig werd beoordeeld en de beperkingen passend werden geacht.
In hoger beroep voerde appellant aan volledig arbeidsongeschikt te zijn en betwijfelde de objectiviteit van de verzekeringsartsen, die volgens hem onvoldoende informatie bij behandelaars hadden opgevraagd. Tevens stelde hij dat zijn psychische en fysieke klachten en medicatiegebruik een voltijdse werkhervatting onmogelijk maken.
De Raad oordeelt dat de beoordeling van het UWV in overeenstemming is met de wettelijke criteria en dat de rechtbank de beroepsgronden terecht heeft verworpen. De mate van arbeidsongeschiktheid van 73,69% is voldoende onderbouwd met medische en arbeidskundige rapportages. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is terecht vastgesteld op 73,69% en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.