ECLI:NL:CRVB:2022:1100
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering servicekosten bewoner dienstwoning bij ministerie Buitenlandse Zaken
Appellant was vanaf 1 juli 2015 als attaché geplaatst op een ambassade in het buitenland en woonde in een dienstwoning. Volgens de Regeling dienstwoningen BZ is de ambtenaar gehouden servicekosten en lokale heffingen te betalen, gelijk aan de plicht van een huurder in Nederland. Hoewel de uitvoering van deze regeling sinds 2003 wisselend was, heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken op 18 april 2017 via een algemeen bericht duidelijkheid verschaft dat vanaf 1 mei 2017 servicekosten in rekening zouden worden gebracht.
Appellant werd bij besluit van 18 juni 2019 servicekosten van €3.874,02 in rekening gebracht over de periode april 2017 tot juni 2019. Na bezwaar werd dit bedrag verlaagd naar €1.687,60 vanwege een maximale terugvorderingstermijn van twee jaar en een plafond van 2,5% van het netto maximumsalaris. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze terugvordering ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij niet op de hoogte was gesteld van de verschuldigdheid van servicekosten, onder meer omdat tijdens voorlichtingsbijeenkomsten in 2015 hierover niets was gezegd. De Raad oordeelde echter dat appellant redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat hij servicekosten moest betalen, mede door de herhaalde berichten van het ministerie in 2017, 2018 en 2019. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van servicekosten bevestigd.